Familie

Waar komen ijsberen vandaan en hoeveel zijn er eigenlijk?

Niemand weet zeker hoeveel ijsberen er precies zijn, omdat ze zo moeilijk zijn te tellen.

Biologen schatten dat er zo’n 22 à 27 duizend ijsberen zijn. Ongeveer de helft daarvan leeft in Canada. Waarschijnlijk is dat ook de reden dat op Canada’s muntstuk van 2 dollar de ijsbeer is terug te vinden.

Zo’n 100.000 jaar geleden werden enkele beren gescheiden van andere doordat ijsschotsen splitsen. De beren die op het ijs bleven pasten zich snel aan hun nieuwe omgeving aan. Dat zie je vooral door de kleur van de vacht. IJsberen zijn dus de ‘nieuwste’ type beren, maar ze zijn nog wel heel nauw verbonden met grizzly beren. Samen zouden ze gezonde en vruchtbare jongen kunnen krijgen.

De ontzagwekkende ijsbeer is samen met de kodiakbeer en de Kamsjatbeer het op twee na grootste landroofdier. De kleur van zijn vacht is perfect aangepast aan zijn sneeuwwitte omgeving. IJsberen zijn prima uitgerust voor een leven in de ijzige toendra. Ze zijn ongelooflijk sterk, moedig en kunnen met hun licht gebogen benen met grote sprongen aanzienlijke afstanden overbruggen. Deze manier van lopen zorgt er samen met hun behaarde voetzolen voor dat ze stevig op het ijs staan.

IJsberen leven ‘solitair’. Dat wil zeggen dat ze in hun eentje leven. Het mannetje gaat in de lente (april, mei) op zoek naar een vrouwtje zonder kleintjes, om te paren.

Het is een van de weinige momenten dat het vrouwtje en het mannetje samen zijn. Een vrouwtje krijgt alleen een eisprong als ze geen jongen heeft en wanneer een mannetje in de buurt is.

In Diergaarde Blijdorp laten Erik en Tania zien hoe het paren gebeurt:

De ijsberen vinden elkaar door rond te kijken bij de beste jachtgebieden voor zeeleeuwen. Er is een ijsbeermannetje gezien die over 100 kilometer de voetsporen van een vrouwtje in de sneeuw volgde.

Maar hoe wist hij dan dat het de voetsporen van een vrouwtje waren? 

Goede vraag. Wetenschappers zijn er niet helemaal uit, maar mogelijk geeft het vrouwtje een geur af via haar voetzolen en is dat de geur die het mannetje ruikt en volgt. Andere wetenschappers denken dat het mannetje achter de geur van het vrouwtjes urine aangaat. Vaak volgen meer mannetjes één vrouwtje, maar alleen de grootste en sterkste man zal met het vrouwtje paren. Voordat het zover is kunnen er dus grote gevechten ontstaan tussen mannetjes. Hierbij kunnen ze tanden breken en littekens achterlaten. Uiteindelijk zal een beer het gevecht opgeven, voordat het te ver gaat. Het is beter om weg te rennen dan om gewond of erger nog dood te gaan.

Het mannetje en vrouwtje blijven ongeveer een week bij elkaar. In die week paren ze diverse keren. Dat is ook het enige dat de beer als papa doet. Tijdens de zwangerschap, de geboorte en de ‘opvoeding’ speelt het mannetje geen enkele rol. Vrouwtjes kunnen gaan paren vanaf 4 jaar oud. Mannetjes zijn geslachtsrijp wanneer ze 6 jaar oud zijn. Maar omdat ze dan nog niet zo groot en sterk zijn, kunnen ze andere mannetjes niet van een vrouwtje afhouden. Vaak paart een mannetje pas voor het eerst als hij 8, 9 of 10 jaar oud is.

Zwangerschap

Een zwangere ijsbeer moet eerst heel veel in gewicht toenemen. Minstens 200 kilo. Daar heeft ze enkele maanden de tijd voor. Pas als ze genoeg aan gewicht heeft gewonnen, zal het bevruchte eitje gaan groeien en zich ontwikkelen. Het extra gewicht is nodig voor de energie die het kost om de jongen groot te laten groeien. Er is een vrouwtjesbeer bekend die in de lente werd gevangen en toen 95 kilo woog. Dat is een ‘normaal’ gewicht voor een volwassen, stevige man, maar veel te weinig voor een ijsbeer. Toen ze werd vrijgelaten en de volgende lente weer werd ontdekt, bleek ze 450 kilo te wegen! Stel je eens voor dat je in een jaar tijd 355 kilo dikker wordt… Als de ijsbeer er niet in slaagt 200 kilo dikker te worden die nodig is voor haar en haar jongen, zal het eitje zich niet ontwikkelen en is ze niet langer zwanger.

Wanneer in oktober en november de ijsberen weer aan het jagen gaan op zeeleeuwen, dan gaat de zwangere ijsbeervrouwtje op zoek naar een hol om daar te overwinteren. De moederbeer graaft een hol onder de sneeuw of in de bodem van de toendra. Daarbinnen is het wel warmer dan buiten, maar toch schommelt de temperatuur er rond de nul graden. Ze komt dan terecht in een lichte winterslaap, waarbij haar hartslag daalt van 46 naar 27 slagen per minuut. Terwijl ze een paar maanden slaapt, gaat alles in haar lichaam heel erg traag. Ze gaat zelfs niet naar de wc.

Geboorte

De jongen worden meestal eind december, begin januari geboren. Dat gebeurt terwijl hun moeder nog slaapt. Meestal worden er twee jongen geboren. In totaal is de moeder dus 7 of 8 maanden zwanger geweest. De kleintjes zijn ongeveer zo groot als een eekhoorn en wegen iets meer dan een pakje boter, zo’n 600 gram. De jongetjes zijn iets groter dan de meisjes. Als ze geboren worden, hebben ze klauwtjes waarmee ze door de vacht van hun moeder klimmen op zoek naar een tepel om van te drinken. De babies hebben heel fijn haar en blijven warm door onder hun moeders poten te slapen. Hun energie krijgen ze van de vette moedermelk.

Na ongever een maand kruipen de beertjes al in het rond, maar pas na zes weken gaan hun ogen open. Niet veel later komen de tanden door. Als de jongen groter worden, gaat moeder-ijsbeer rechtop zitten. Na tien weken zijn de beren klaar om samen met hun moeder het hol te verlaten. In het Engels heten ijsbeerjongen Coys. Dat betekent ‘cub of the year’, de babies van dit jaar.

Opgroeien

De jongen blijven drinken tot ze anderhalf jaar oud zijn. De jongen blijven dicht bij hun moeder. Die beschermt de jongen en leert ze jagen. Na het eerste jaar, als ze geen coys meer zijn, nemen ze iets meer ruimte om hun moeder heen. Normaal zal een ijsbeerjong zo’n 2,5 jaar bij de moeder blijven. Alleen in het hele vere noorden blijven ze een jaar langer. Na twee en een half jaar zijn de kleine beren zo groot dat het moeilijk is te zeggen welke beer de moeder is en welke beer het jong.

De belangrijkste reden voor het snelle groeien van de ijsbeerjongen is de vetheid van de moedermelk. De vrouwtjes voeden de kleintjes terwijl ze rechtop zitten. Hierdoor kunnen ze om hun heen kijken naar gevaar. De ijsbeermelk bestaat uit 30 tot 40 procent vet. Menselijke moedermelk heeft ongeveer 4 procent vet. De melk uit de supermarkt niet meer dan 2 procent. De moeders kunnen hun jong twee jaar melk geven, maar de kleintjes krijgen ok vast voedsel zodra hun moeder iets gevangen heeft.

Tijdens het samenzijn moeten de jongen alles leren wat nodig is om te overleven. Elke dag is een schooldag. Ze leren wat ze kunnen eten, waar het te vinden is, hoe je het moet vangen en hoe ze alle gevaren moeten zien te ontwijken. De helft van alle jongen gaan binnen twee jaar dood, dus het is heel belangrijk voorzichtig te zijn en snel te leren om te leven.

Op eigen benen

Na ongeveer twee en een half jaar gaan de kleintjes voor het eerst alleen op pad. Ze zijn bijna zo groot als hun moeder. Als de moeder weer klaar is om te paren, jaagt ze haar jongen weg zodat ze hun eigen leven kunnen beginnen. Soms blijven broers en zussen dan nog even bij elkaar, maar ook die gaan uiteindelijk alleen verder.