Waarom glijdt een ijsbeer niet uit?

IJsberen hebben vier grote poten (klauwen) die wel 30 centimeter groot kunnen zijn. De gigantische poten werken als sneeuwschoenen. Door de breedte wordt het gewicht van de ijsbeer verdeeld zodat ze zelfs over dun ijs kunnen lopen. De ijsbeer heeft o-benen. Hun tenen en nagels wijzen naar binnen. Dit zorgt er voor dat ze met hun zware lichaam niet uitglijden op het gladde ijs of sneeuw. Een gladde helling neemt de beer vaak glijdend op zijn buik, met gestrekte ledenmaten.

Tenen

Aan elke poot heeft een ijsbeer vijf tenen, met elk een scherpe ‘nagel’ aan het einde van elke teen. Met deze nagels kunnen ze voedsel oppakken, maar zichzelf ook verdedigen van andere ijsberen door van die vervelden sneetjes te krabben.

Zwemmen

Tussen elke twee tenen is een klein beetje huid, daardoor lijkt de poot een beetje op de staart van een zeehond. Hierdoor kan de ijsbeer makkelijker in het water zwemmen. Hij haalt een snelheid van zo’n 10 kilometer per uur in het water, en houdt dat lang vol. Een ijsbeer kan zo’n 96 kilometer achter elkaar zwemmen! Overigens kunnen ze 4,5 meter diep duiken.

Tijdens het zwemmen worden alleen de lange haren nat, de dichte vacht daaronder blijft droog. Als hij zwemt doet hij zijn neusgaten dicht en zijn ogen open. Hij gebruikt alleen zijn voorpoten om te zwemmen. De achterpoten doen niets. Met de open ogen en gesloten neusgaten duiken de ijsberen helemaal onder water en kunnen dit 2 minuten, zonder opnieuw adem te halen, uithouden.

Lopen en rennen

De voetzool heeft een heleboel kleine kussentjes, net zoals bij een basketbal. Hierdoor houdt een ijsbeer goed grip op het ijs, waardoor de kans op uitglijden veel kleiner is. Hij kan ook rennen: op korte afstand kan een ijsbeer een snelheid van zo’n 40 kilometer per uur halen.